Op maandag vertrek ik om 0657 geheel op automatische piloot naar het werk. Nog voor ik het station kom binnenstappen, wordt mijn irritatie al gevoed door de mensheid zelve. “Moet er nog (voet)volk zijn?”, vraag ik mezelf af. Het antwoord moet ik jullie allen natuurlijk verschuldigd blijven. Op maandag stel ik namelijk enkel vragen en weiger pertinent om te antwoorden. Toegegeven, dat laatste zorgt soms wel voor wat wrevel. Vooral als ik, eenmaal aangekomen op het werk, iemand zijn werk voor de –tigste keer mag afkraken zonder mij er ook maar een lettergreep voor te moeten verantwoorden. Wie mij niet kent denkt ongetwijfeld dat ik hiervan geniet. De werkelijkheid ligt uiteraard elders. Op de eerste dag van de week word ik eigenlijk het liefst van allemaal met rust gelaten. Door iedereen.
Helaas blijkt dat op maandagen zo goed als onmogelijk. Iedereen wil namelijk weten wat ik het afgelopen weekend uitgespookt heb. Alsof ze ervan uitgaan dat ik per definitie schaars gekleed sta te dansen op de boxen van één of andere vrachtwagen die aan slakkentempo de hoofdstad rondrijdt. Soms zie ik enkelen ervan uitgaan dat ik, opnieuw per definitie, naar slechte muziek luister en het exhibitionistische trekje heb om de hele wereld te laten weten dat ik ondergoed bestel bij aussieBum. Hoewel niets minder waar is, tracht ik dergelijke privézaken zo veel mogelijk binnenshuis te beleven. Ik mag dan wel dogmatisch vasthouden aan het zelfbeschikkingsrecht, op dagen zoals deze vind ik dat sommige collega’s dringend in hun vrijheid dienen beperkt te worden.
Gelukkig is er mijn opvallende nieuwe haarsnit die voor controverse zorgt en radio couloir op een andere frequentie brengt. Ik hoor hier en daar grapjes vallen over de wintervacht van schapen en over het cokegebruik van topsporters. Behoorde ik tot een van die twee categorieën, ik zou het me, zelfs op een maandag, kunnen aantrekken. Nu haal ik enkel mijn schouders op en werk mij, volledig volgens mijn inborst, volhardend door mijn dossiers.
Om 1627 haast ik me naar het station om de trein van 1632 huiswaarts te nemen. Ondanks de onmogelijkheid om op vijf minuten van mijn werk aan het Zuidstation te staan, laat staan effectief ook die intentie te hebben, neem ik toch de trein die ik al de hele dag gepland had te nemen. Wie twijfelt aan de zekerheden des levens, mag er vanuit gaan dat de institutionalisering van vertragingen er wel degelijk één is. Om 1701 kom ik – geheel op tijd – in thuishaven Gent aan en smijt mijn zwemgerief in een sportzak. Op het programma staat 2km, bestaande uit warm up aan 20% (3×50 legkick en 3×50 moderate swim), skills aan 20% (8×100 stroke drill), een main set van 50% (7×150 fast swim) en een 10% cooldown (1×300 easy swim). Wie goed kan tellen merkt op dat dat samen 2450m is, wat bijna een halve km meer is dan gepland. Het licht gaat dan ook volledig uit om 2130.
Op dinsdag overloop ik hetzelfde ritueel als maandag, maar vertrek om 0654 thuis en arriveer op het perron alwaar opnieuw mijn irritatie gevoed wordt door mensen. Dit keer door gepeupel met 2×20kg koffers die klaarblijkelijk geen haast hebben. Mijn trein bleek vroeger dan gepland aangekomen te zijn en stante pede vraag ik mij het volgende af: “Moet er nog (voet)volk zijn in eerste klasse?”. Helaas blijkt het antwoord hierop ‘ja’ te zijn waardoor ik mijn bubble butt in tweede klasse mag gaan nestelen omwille van het gebrek aan een halve zetel in eerste klasse.
Wat volgt dien ik te klasseren onder schichtige blikken van mensen die moeten geweten hebben dat ik niet thuis hoor in tweede klasse. Hoewel ik graag mijn ogen tot 0746 had dichtgedaan blijkt dat onmogelijk te zijn. Het hing van tevoren in de lucht dat het een lastige dag zou worden. Even diep ademhalen, aankomen op bureau, en dan de self-fulfilling prophecy. Waarna werkelijk alles in het honderd loopt. Om 1632 besluit ik mijn biezen te pakken en het op een lopen te zetten, maar daar steken collega’s last-minute een stokje voor. Om maar te zeggen dat het mijn aanwezigheid hier werkelijk onontbeerlijk is. Een trein zonder iPod, maar met talrijke malversaties over het werk later; meen ik dat het tijd geworden is om uit het ‘Stuck In A Moment You Can’t Get Out Of’-gedoe te klauteren. Nu weet men meteen ook waar het vermoeden van mijn slechte muzieksmaak vandaan zou kunnen komen. Ontstressen doe ik door met gewichten te sleuren, het spiegelbeeld van elk spiertje dat beweegt nauwkeurig in de gaten te houden; terwijl ik de dag overpeins en het steeds luider wordende tromgeroffel ten gevolge van het waarnemen van de honneurs als zijnde chef de service voor tien dagen zo snel mogelijk probeer te vergeten.
Op woensdag schijnt de zon al als ik om 0651 de deur thuis achter mij toetrek. Ik snuif wat van de uiterst gezonde stadslucht binnen zonder ook maar een seconde te hoeven vrezen dat dit mogelijk schadelijke gevolgen zou kunnen hebben moest men op dit moment haarstalen van mij opvragen. ’s Morgens meet ik mezelf immers altijd de heroïsche kenmerken van een van zijn voetstuk gevallen topsporter toe. Mijn voorbeeldfunctie beperkt zich echter – in werkelijkheid – nog steeds tot het binnen de stamtijden aankomen op het werk. Wat op deze zonnige dag trouwens ruimschoots het geval is. Na het rechttrekken van een aantal belangrijke dossiers, maak ik om 1007 de balans op: het zal een korte dag worden. Ik kan maar hopen dat het snel 1601 is, want mijn zorgen vandaag reiken niet verder dan op tijd thuis zijn. Laat het weekend maar beginnen.