You are currently browsing the monthly archive for mei, 2009.
Op maandag vertrek ik om 0657 geheel op automatische piloot naar het werk. Nog voor ik het station kom binnenstappen, wordt mijn irritatie al gevoed door de mensheid zelve. “Moet er nog (voet)volk zijn?”, vraag ik mezelf af. Het antwoord moet ik jullie allen natuurlijk verschuldigd blijven. Op maandag stel ik namelijk enkel vragen en weiger pertinent om te antwoorden. Toegegeven, dat laatste zorgt soms wel voor wat wrevel. Vooral als ik, eenmaal aangekomen op het werk, iemand zijn werk voor de –tigste keer mag afkraken zonder mij er ook maar een lettergreep voor te moeten verantwoorden. Wie mij niet kent denkt ongetwijfeld dat ik hiervan geniet. De werkelijkheid ligt uiteraard elders. Op de eerste dag van de week word ik eigenlijk het liefst van allemaal met rust gelaten. Door iedereen.
Helaas blijkt dat op maandagen zo goed als onmogelijk. Iedereen wil namelijk weten wat ik het afgelopen weekend uitgespookt heb. Alsof ze ervan uitgaan dat ik per definitie schaars gekleed sta te dansen op de boxen van één of andere vrachtwagen die aan slakkentempo de hoofdstad rondrijdt. Soms zie ik enkelen ervan uitgaan dat ik, opnieuw per definitie, naar slechte muziek luister en het exhibitionistische trekje heb om de hele wereld te laten weten dat ik ondergoed bestel bij aussieBum. Hoewel niets minder waar is, tracht ik dergelijke privézaken zo veel mogelijk binnenshuis te beleven. Ik mag dan wel dogmatisch vasthouden aan het zelfbeschikkingsrecht, op dagen zoals deze vind ik dat sommige collega’s dringend in hun vrijheid dienen beperkt te worden.
Gelukkig is er mijn opvallende nieuwe haarsnit die voor controverse zorgt en radio couloir op een andere frequentie brengt. Ik hoor hier en daar grapjes vallen over de wintervacht van schapen en over het cokegebruik van topsporters. Behoorde ik tot een van die twee categorieën, ik zou het me, zelfs op een maandag, kunnen aantrekken. Nu haal ik enkel mijn schouders op en werk mij, volledig volgens mijn inborst, volhardend door mijn dossiers.
Om 1627 haast ik me naar het station om de trein van 1632 huiswaarts te nemen. Ondanks de onmogelijkheid om op vijf minuten van mijn werk aan het Zuidstation te staan, laat staan effectief ook die intentie te hebben, neem ik toch de trein die ik al de hele dag gepland had te nemen. Wie twijfelt aan de zekerheden des levens, mag er vanuit gaan dat de institutionalisering van vertragingen er wel degelijk één is. Om 1701 kom ik – geheel op tijd – in thuishaven Gent aan en smijt mijn zwemgerief in een sportzak. Op het programma staat 2km, bestaande uit warm up aan 20% (3×50 legkick en 3×50 moderate swim), skills aan 20% (8×100 stroke drill), een main set van 50% (7×150 fast swim) en een 10% cooldown (1×300 easy swim). Wie goed kan tellen merkt op dat dat samen 2450m is, wat bijna een halve km meer is dan gepland. Het licht gaat dan ook volledig uit om 2130.
Op dinsdag overloop ik hetzelfde ritueel als maandag, maar vertrek om 0654 thuis en arriveer op het perron alwaar opnieuw mijn irritatie gevoed wordt door mensen. Dit keer door gepeupel met 2×20kg koffers die klaarblijkelijk geen haast hebben. Mijn trein bleek vroeger dan gepland aangekomen te zijn en stante pede vraag ik mij het volgende af: “Moet er nog (voet)volk zijn in eerste klasse?”. Helaas blijkt het antwoord hierop ‘ja’ te zijn waardoor ik mijn bubble butt in tweede klasse mag gaan nestelen omwille van het gebrek aan een halve zetel in eerste klasse.
Wat volgt dien ik te klasseren onder schichtige blikken van mensen die moeten geweten hebben dat ik niet thuis hoor in tweede klasse. Hoewel ik graag mijn ogen tot 0746 had dichtgedaan blijkt dat onmogelijk te zijn. Het hing van tevoren in de lucht dat het een lastige dag zou worden. Even diep ademhalen, aankomen op bureau, en dan de self-fulfilling prophecy. Waarna werkelijk alles in het honderd loopt. Om 1632 besluit ik mijn biezen te pakken en het op een lopen te zetten, maar daar steken collega’s last-minute een stokje voor. Om maar te zeggen dat het mijn aanwezigheid hier werkelijk onontbeerlijk is. Een trein zonder iPod, maar met talrijke malversaties over het werk later; meen ik dat het tijd geworden is om uit het ‘Stuck In A Moment You Can’t Get Out Of’-gedoe te klauteren. Nu weet men meteen ook waar het vermoeden van mijn slechte muzieksmaak vandaan zou kunnen komen. Ontstressen doe ik door met gewichten te sleuren, het spiegelbeeld van elk spiertje dat beweegt nauwkeurig in de gaten te houden; terwijl ik de dag overpeins en het steeds luider wordende tromgeroffel ten gevolge van het waarnemen van de honneurs als zijnde chef de service voor tien dagen zo snel mogelijk probeer te vergeten.
Op woensdag schijnt de zon al als ik om 0651 de deur thuis achter mij toetrek. Ik snuif wat van de uiterst gezonde stadslucht binnen zonder ook maar een seconde te hoeven vrezen dat dit mogelijk schadelijke gevolgen zou kunnen hebben moest men op dit moment haarstalen van mij opvragen. ’s Morgens meet ik mezelf immers altijd de heroïsche kenmerken van een van zijn voetstuk gevallen topsporter toe. Mijn voorbeeldfunctie beperkt zich echter – in werkelijkheid – nog steeds tot het binnen de stamtijden aankomen op het werk. Wat op deze zonnige dag trouwens ruimschoots het geval is. Na het rechttrekken van een aantal belangrijke dossiers, maak ik om 1007 de balans op: het zal een korte dag worden. Ik kan maar hopen dat het snel 1601 is, want mijn zorgen vandaag reiken niet verder dan op tijd thuis zijn. Laat het weekend maar beginnen.
Al meermaals heb ik horen vallen, in de wandelgangen onzer dorpsgeluk, dat er geïnformeerd wordt. En hoewel ik mezelf had voorgenomen, en eigenlijk nog steeds diezelfde mening ben toegedaan, om er verder weinig gevolg aan te geven, volg ik toch even het primaat van de correcte informatie.
Uit betrouwbare bron mag ik opmaken dat je nog steeds je onberispelijke zelf bent. Altijd een oordeel klaar en niet weinig gebaseerd op jouw eigen zwarte kijk op de dingen. Of ervaringen. Het doet meermaals besluiten dat na al die jaren, zes om precies te zijn, je nog geen haar veranderd bent. Toen al, ging je ervan uit dat een ander geen recht had op zijn eigen plek in de zon zolang jijzelf in de schaduw achterbleef. Het is pijnlijk, vooral voor jezelf, om te zien hoe weinig je op dat vlak geëvolueerd bent.
Nog steeds datzelfde vat vol onrust, schijnbaar een uiting van een gebrek aan vrede met het zelf. Nog steeds diezelfde ongefundeerde boetedoeningen ter projectie van de vermeende egoschade die jij ooit door de andere(n) geleden hebt. Een mening, waarop je evenveel recht hebt als een ander; een mes, te planten in een onschuldige rug naar keuze. Ik stel vast dat ze allen, dag in dag uit, talrijker worden.
Nochtans zijn er van al de dingen die je me destijds hard-handig en hart-eloos hebt bijgebracht, wel zeker zaken die ik onthouden heb. Dat het allemaal vooral niets met mijzelf te maken had of heeft, om er eentje te noemen.
Vandaar dat ik je dan ook – hoewel je er nog twee keer één vinger van verwijderd bent – een oprechte, welgemeende en vooral proactieve 40ste verjaardag wil toewensen. Het uitgelezen moment om eens na te denken over de veertig jaren die voorbij zijn. Te beseffen dat de balans voortaan overhelt naar dat wat je verwezenlijkt hebt, wie je kent en vooral wie of wat je bent. Dat het erop aankomt om voortaan eerder terug te kijken op, in plaats van uit te kijken naar. Dat je niet langer blijft trappelen bij dat wat je nog – ongeacht wat het ook moge kosten – wil ‘bereiken’. Dat je niet blijft vasthouden aan wat of wie je niet bent.
Ik hoop met heel mijn hart dat ook jij straks een positieve balans kan voorleggen. Pas dan, en enkel op dat moment, zal je beseffen dat alleen zijn eigenlijk helemaal niet zo alleen hoeft te zijn. Tenzij je blijft zoeken naar het waarom.
In afwachting.
Een immer vriendelijke groet.
Zo. Het stilzwijgen is doorbroken en op 220409 werd mijn hart gebroken. De veronderstelling dat ik er geen zou hebben is bij deze dus volledig van de baan. Na enkele dagen, nachten en weken van ‘tell me why’ zijn de wonden schoongelikt en kunnen ze ongeveer op datum van 130509 geheeld worden. Een proces dat, naar eigen inschatting, over drie jaar praktisch volledig voltooid zal zijn. Niettemin proberen we er in de mate van het mogelijke het beste van te maken.
Dat laatste is trouwens niet altijd even evident in een werkomgeving waar iedereen luidop denkt wat hij of zij – tja – denkt, en het daarna klaarblijkelijk ook nog eens moet vertellen. Allez, vooruit. Achteruit.
Op 080609 beslis ik om de sleur te doorbreken en voor de tweede keer in een jaar tijd al mijn kleine en minderkleine alsook waardevolle en minder waardevolle bezittingen in een doos te steken, want – jullie raden het nooit – ik verhuis. Op 050309 kwam ik namelijk op het lumineuze idee om een huis te gaan bezoeken en het bovendien nog te kopen ook. Ik had nu een ‘wie vindt mijn huis op de volgende luchtfoto’-wedstrijd kunnen organiseren, en er een mooie prijs in natura aan verbinden, maar “dat hebben we nooit gedaan en dat zullen we ook nooit doen” (credits Fresco).

Omdat ik na het verhuizen ongetwijfeld de val van huisje-tuintje-boompje-hondje zal moeten ontlopen, anticipeer ik nu al op een reisje naar Mykonos. Ik hoor jullie allen denken dat ik werkelijk niets te zoeken heb op een eiland vol homo’s – en bovendien vertelt summink or nuffink me dat jullie op dat vlak waarschijnlijk 300% gelijk zullen hebben – maar op dit moment kan het mij (nog) niet deren en droom ik van allerhande prijzen in nature onder een palmboom.
Indien die prijzen in het water zouden vallen en de Belgische Staat mij gebiedt in het land des vaderen te blijven dan zal ik dat uiteraard ook ondergaan. Het geklaag en gezaag wat dat betreft zal ik jullie dan alvast niet onthouden. Tot dan.
